In een lezing op het congres in Opheusden van 16 maart 2019 verdedigde ik de theorie, dat de ijstijd zich van 2350 tot 1500 voor Christus heeft afgespeeld. Willem Jan Blom verwerpt in zijn blog de argumenten die ik ter onderbouwing van deze opvatting van een ijstijdramp in de dagen van de aartsvaders inbreng.

Volgens mij zit zijn afwijzing (zie hier deel 4, deel 5 en deel 6) van mijn ijstijdtheorie ten diepste vast op het volgende punt. Blom studeert geologie. Deze wetenschap benadert de ijstijdproblematiek nog altijd vanuit het eenzijdige wereldbeeld van het uniformiteitsprincipe van Lyell. Dit beginsel houdt in, dat praktisch alle geologische, biologische en klimatologische veranderingen op onze planeet vanuit langzaam werkende processen worden verklaard. Catastrofale veranderingen sluit men op voorhand uit. Vanuit dit wereldbeeld wordt het idee, dat een ijstijd door een kosmische bombardement in gang is gezet, als veel te plotseling en gewelddadig verworpen.

De theorie van Milanković is voor de mainstream geologie wel acceptabel, omdat deze theorie de ijstijden verklaart door middel van over zeer lange tijden werkzame en amper waarneembare zwaartekracht effecten van de planeten op de stand van de aarde t.o.v. de zon. In het artikel ‘Kan Milanković de ijstijd verklaren?’ zet ik uiteen waarom deze theorie niet deugt.

Ik kom m.b.t. Milanković tot dezelfde conclusie als de klimatoloog H.H. Lamb: “it is now clear that the temperature changes resulting from the calculated variations of the radiation budget would not be sufficient to swing the Earth’s climate into an ice age and back again” (H.H. Lamb, 1995, Climate, History and the Modern World, p.68). Blom is, zoals vele “generations of students indoctrinated by uniformitarianism” (A. Hallam, Catastrophism in Geology, in: V. Clube ed, 1989, Catastrophes and Evolution: astronomical foundations, p.34). Daarom verdedigt hij de Milanković theorie en - zo komt dat bij mij over - schiet hij constant in een ‘nietes’ modus, en zoekt daar dan nog wat redenen bij,  wanneer ik argumenten inbreng ten gunste van de theorie dat het klimaat in het recente verleden door kosmische inslagen in een honderden jaren durende ‘cosmic winter’ terecht is gekomen.

Net zoals klimatologen ons leren dat de theorie van Milanković geen ijstijd kan verklaren, zo zijn het astronomen, zoals V.Clube, B. Napier, F. Hoyle en C. Wickramasinghe, die ons laten zien, dat de aarde zich in een uiterst gevaarlijke astronomische omgeving bevindt. Om de paar duizend jaar wordt onze planeet door kometen en asteroïden te grazen genomen. Daarbij doen zich enorme effecten voor, o.a. op het klimaat.

Zo ontketenen inslagen van buitenaardse brokstukken geweldige vulkanische activiteit. Hierdoor, en door het effect van de inslagen zelf, worden enorme hoeveelheden waterdamp, roet, as en stofdeeltjes in de stratosfeer geïnjecteerd.  Die kunnen het zonlicht decennia lang van de aarde afschermen, zodat de temperatuur aan het aardoppervlak, vooral aan de polen, plotseling langdurig met 5 tot 15 graden Celsius kan dalen. Ook raakt de aardas door deze impacts in een schommelbeweging.

Dit schommelen van de aardas heeft abrupte effecten op de windcirculatie en oceaanstromingen, wat zich vooral op hogere breedte – daar zijn klimaatsveranderingen het meest voelbaar – manifesteert in een snelle opeenvolging van zeer koude, natte perioden en zeer warme, droge perioden (V. Clube, B. Napier, 1990, Cosmic Winter, pp.259-265, ). Overigens, ook met deze snelle klimaatwisselingen heeft de theorie van Milanković een probleem: de variabelen die de input van zonne-energie bepalen werken niet snel genoeg.

Dat er tijdens de ijstijd inderdaad sprake is geweest van enorme vulkanische activiteit plus een intense pluviale periode, met wereldwijd veel neerslag, is weinig bekend. De Kaspische Zee was  toen twee keer zo groot als nu; het Tsjaad meer in noordwest Afrika had gedurende de ijstijd de omvang van de huidige Kaspische Zee. En in de Oost Afrikaanse slenk waren de meren in de ijstijdperiode dubbel zo groot en stond het water enkele tientallen meters hoger dan tegenwoordig. Noord Amerika kende ook enorme Pleistocene meren: het Bonneville meer was 300 meter diep en had een omvang van 50.000 km2; het Missoula meer en het Lahontan meer waren ieder half zo groot. Ook in het oosten van Californië bevonden zich meren met enorme wateroppervlakten: Searles en Salton. In Death Valley kun je op 250  meter hoogte de kustlijnen van deze meren zien liggen. Australië kent eveneens gebieden met sporen van enorme meren uit de ijstijd terwijl er tegenwoordig geen water meer te vinden is (H.H. Lamb, 1997, Climate, History and the Modern World, pp. 112-114).

Deze wereldwijde pluviale periode, waarvan de enorme Pleistocene meren getuigen, vormt de noodzakelijke voorwaarde voor de accumulatie van reusachtige ijskappen aan de polen. Dat kennis van deze pluviale periode tijdens de ijstijd weinig aandacht krijgt komt m.i. omdat zo’n extreme episode van neerslag niet binnen de Milanković theorie past: als de aarde minder zonnewarmte ontvangt zal de neerslag volgens Milanković juist afnemen. Dus een ijstijd à  la Milanković en een pluviale periode gaan niet samen. Bovendien speelt mee dat zo’n pluviale periode impliceert dat de ijskappen aan de polen veel sneller zich ophoopten dan de tijd die daar in de ijstijdmodellen van de reguliere wetenschap voor wordt uitgetrokken. In het laatste deel van dit betoog zal ik laten zien dat deze pluviale periode ook effecten heeft op de uitkomsten van de C14 dateringsmethode. Dit aspect wordt door de mainstream wetenschap eveneens genegeerd.

Mythologen bevestigen dat het hierboven beschreven ‘impact winter’ scenario in oeroude verhalen terug te vinden is. Mythen uit Zuid en Noord Amerika en Centraal Azië verhalen van een Gouden Tijdperk dat abrupt eindigt in een leven-vernietigende koude (zie o.a. E. Tollmann en A. Tollmann, 1993, De Zondvloed. Van mythe tot historische werkelijkheid, pp.178-187). Een mooi voorbeeld is de IJslandse Edda. Daarin gaat het over de Finbulvetr, een verschrikkelijke winter, die wordt geassocieerd met Ragnarok, een oorlog tussen de goden Odin, Thor en anderen, waarbij de vuurreus Surt, begeleid door een schare volgelingen, de Valkyries, vanuit het hemelgewelf op aarde stort, waardoor de zon wordt verduisterd. Overal schiet er vuur uit de gebarsten aarde en de wereldas, Yggdrasil, waaromheen het heelal draait, begint te schommelen. Dit soort verhalen suggereert dat de mensheid inderdaad in een niet al te ver verleden een ijstijd heeft meegemaakt die door kosmische inslagen werd geïnitieerd. Dezelfde suggestie gaat uit van de Zeno kaart (1380), waarop Groenland ijsvrij staat en de Piri Re’is (1513) en Oronteus Finaeus (1531) kaarten met een ijsvrij Antarctica.

Opvallend aan de Zeno kaart is, dat deze precies de specifieke topografie van Groenland weergeeft - met bergen in het noorden en het zuiden met daartussen een uitgestrekte laagvlakte - die pas in de jaren 60 van de vorige eeuw met radarbeelden vanuit vliegtuigen onder het ijs is vastgesteld. Dat de toenmalige kaartmaker kennis van deze specifieke topografie had kan niet anders betekenen dan dat de mensheid een ijsvrij Groenland heeft meegemaakt.

Blom gelooft niet dat deze kaarten betrouwbaar en geldig zijn. Op de Zeno kaart ziet hij eilanden die nu niet meer bestaan. Dus concludeert hij dat de kaart nep moet zijn. Hiermee laat hij zien hoe hij denkt in termen van het uniformiteitsprincipe van de gevestigde geologie; want binnen dit denkkader wordt het uitgesloten, dat eilanden plotseling zouden kunnen verdwijnen. Toch zijn er verschillende voorbeelden te geven van eilanden die in tektonisch actieve gebieden of opeens uit de oceaan oprijzen of juist in de oceanen verzinken (zie hiervoor o.a. R.M. Schoch, 1999, Voices of the Rocks).

Welke geofysische aanwijzingen zijn er dat de ijstijd door kosmische inslagen in gang is gezet? In het noordwesten van Groenland bevindt zich onder het ijs een krater met een doorsnede van 31 kilometer. Doordat deze impactstructuur weinig geërodeerd is wordt een  geologisch zeer recente ouderdom van enkele tienduizenden jaren verondersteld. Op een kilometer diepte bevinden zich bovendien in het ijs van de Camp Century boorkern (enkele honderden kilometers ten zuiden van de bovengenoemde inslagkrater) grote concentraties iridium en andere zware metalen. De exotische chemische samenstelling van dit Groenlandse ijs blijkt ook nog eens overeen te komen met de fall-out die vrijkwam bij de Tungunska inslaggebeurtenis van 1908 in Siberië (V.Clube, B. Napier, 1990, Cosmic Winter, pp.269-272). De aanwezigheid van deze kosmische fall out diep in het ijs maakt de samenhang tussen een inslagramp en de ontwikkeling van een Groenlandse ijskap extra waarschijnlijk.

Op het zuidelijk halfrond ligt het immense Australische tektietenveld. Dat beslaat 50.000 km2, 10% van het aardoppervlak, en bevat meer dan 100 miljoen ton aan kosmisch puin. De vorm van dit veld suggereert dat er op Antarctica een inslag moet hebben plaatsgevonden. De geweldige uitgestrektheid van het tektietenveld wijst erop, dat dit een gigantische kosmische opdoffer moet zijn geweest. En inderdaad blijkt er onder het ijs van de Zuidpool een inslagkrater te liggen die in doorsnede 60 km groter is dan de inslagstructuur met het uitsterven van de dinosauriërs in verband wordt gebracht. Over de datering van deze kollossale inslagevent heerst een groot meningsverschil, dat bekend staat als de ouderdomsparadox.

De ouderdom van deze tektieten komt met kalium argon dateringen uit op tussen 700.000 en 900.000 jaar. Deze dateringsmethode kent echter fundamentele bezwaren, zeker wanneer het gaat om dateringen jonger dan 1 miljoen jaar. In dit geval zijn er immers slechts minimale hoeveelheden argon tijdens het vervalproces gevormd. Metingen zijn dan extreem gevoelig voor systeemfouten. Zo is de beginverhouding tussen dochter (argon) en moederisotoop (kalium) niet goed te bepalen. Plus dat deze methode zeer open is: argon kan makkelijk zich in door water afgezette sedimenten ophopen met een veel te hoge schijnbare ouderdom als gevolg. Of het verzamelt zich bovenin een magmareservoir waardoor lavastromen, hieruit afkomstig, een hoge schijnbare ouderdom hebben. En kalium kan makkelijk uit zowel magmatische als sedimentaire gesteenten spoelen, wat ook weer een veel te hoge schijnbare ouderdom oplevert. Dit bezwaar geldt vooral continentale afzettingen uit de tropen, omdat daar veel neerslag valt en er sprake is van een hoge grondwaterstand. Ook lava in oceaanbodems is gevoelig voor uitloging van kalium doordat het constant in contact staat met zeewater. En het zijn juist deze typen gesteenten waarop de kalium argon dateringen van de tektieten gebaseerd is. Vanwege de waterrijke omgeving waarin de gesteenten voorkomen die kalium argon gedateerd worden en gezien het open karakter van het kalium argon dateringssysteem is het dus de grote vraag of deze methode voor de datering van Australische tektieten geldige resultaten oplevert.

Een belangrijk deel van de tektieten blijkt zich dicht aan het aardoppervlak te bevinden in aardlagen met daarin platenmateriaal en houtskoolresten. Dit organisch materiaal wordt met de C14 methode tussen de 3.600 en 10.000 jaar gedateerd. Zowel de geologische positie van de tektieten (praktisch aan het aardoppervlak) als de C14 dateringen wijzen dus op een zeer recente datum van de inslaggebeurtenis. Voor de tegenwerping dat de tektieten vanuit diepere lagen omhoog kunnen zijn gekomen en dus in recentere lagen terecht zijn gekomen bestaan geen gegronde aanwijzingen plus dat er geen mechanisme bekend is dat het systematisch optreden van deze verticale verplaatsing zou kunnen verklaren. Een laatste bijzonderheid in deze dateringskwestie is, dat van de Kurnai, een Aboriginal stam uit het zuidoosten van Australië, een mythe bekend is waarin het drama van een regen van gloeiende fall-out door een kosmische ramp wordt beschreven (E.Tollmann, A. Tollmann, 1993, De Zondvloed. Van mythe tot historische werkelijkheid, p.156, 157, 229-235, 290-295).

Er zijn dus goede argumenten ter verdediging van het stelling, dat de inslag van de ruimtebolide, waardoor het Australisch tektietenveld werd gevormd, in relatief recente historische tijden plaatsvond. En dat de ijskap aan de zuidpool zich pas na en als gevolg van deze inslag heeft gevormd.

Dat de kosmische ramp die de ijstijd initieerde zich vanaf 2350 voor Christus heeft voltrokken verklaart ook de wereldwijde, totaal onverwachte, ondergang van alle vroege bronstijdculturen in die tijd. Blom zet ook bij deze collectieve teloorgang een vraagteken, maar er bestaat een karrenvracht aan literatuur over deze relatief plotselinge ineenstorting  (zie o.a. het werk van M.M. Mandelkehr, 2006, The 2300 BC Event, vol 1, 2, 3; T. Palmer, 2003, Perilious Planet Earth, pp.336-348). Opmerkelijk is, dat in de discussie over deze abrupte verdwijning door een aantal wetenschapper ernstig rekening wordt gehouden met de gevolgen van een inslagramp (in onderstaande afbeelding wordt aangegeven welke bronstijdculturen gelijktijdig ten onder gingen met daaronder de koppen van artikelen waarin dit impactscenario wordt voorgesteld).

(Deze afbeelding kan i.v.m. copyright hier nog niet worden weergegeven)

In het nietes betoog van Willem Jan Blom kwam ook de Sfinx van Gizeh ter sprake. Dit 5000 jaar oude bouwwerk vertoont aan de bovenzijde sporen van winderosie, maar aan de basis spreken de afgeronde vormen en de diep ingeslepen geulen onmiskenbaar van watererosie. Deze watererosie is gerelateerd aan de Naptian pluviale periode, een tijdperk waarin de Sahara zeer waterrijk was. Er leefden daar toen nijlpaarden en krokodillen. Met behulp van varven in het Saki meer op de Krim kan bij benadering worden vastgesteld dat deze regenperiode duurde van 2500 tot 2100 voor Christus. Tijdens dit interval waren de jaarlijkse modderlagen in dit meer soms 10 keer zo dik als in de periode daarna (H.H. Lamb, 1997, Climate, History and the Modern World, p 91). Dat er toen sprake was van een aanzienlijke verstoring van het klimaatsysteem blijkt o.a. hieruit, dat in de Alpen in die tijd de gletsjers zich enorm uitbreidden. Deze koude fase wordt de Piora Oscillatie genoemd.

Op dit punt is het interessant om in te gaan op de resultaten van een onderzoek uit de negentiger jaren van de vorige eeuw van de sedimenten in het Silvaplana meer in Engadin, Zwitserland, door A. Leemann (A. Leemann, 1994, Holocene glacial activity and climatic variations in the Swiss Alps: reconstructing a continuous record from proglacial lake sediments, in: The Holocene 4 (3) pp. 259-268). Deze meer afzettingen bestaan uit een dikke, homogene laag grofkorrelige sedimenten. Daaronder en daarboven bevinden zich een pakket varven. Het bovenste pakket omvat 3300 modderlaagjes, het onderste pakket ongeveer 2500. Iedere varve bestaat uit een zandlaagje en een kleilaagje. Het zandlaagje is afkomstig van smeltwater dat in de zomer het meer vult; het kleilaagje slaat ’s winters op het zandlaagje neer als het meer bevroren is en er verder geen water het meer in stroomt. Iedere varve is dus in een jaar gevormd.

Nu gaat het om de tussenliggende laag grofkorrelige sedimenten. Omdat daar ook organisch materiaal in voorkomt concludeert Leemann dat deze afzetting een tijdperk vertegenwoordigt waarin heel de Alpen ijsvrij zou zijn geweest: niet alleen zouden alle gletsjer zijn verdwenen, ook de meren bevriezen ’s winters niet, waardoor en geen varven ontstaan, is de redenering van Leemann. Regen rivieren zouden in dit warme tijdperk de grofkorrelige afzettingen vanuit de bergen in enkele duizenden jaren hebben aangevoerd en afgezet. Echter omdat uit andere onderzoeken blijkt dat in de tijd dat dit pakket grove sedimenten ontstond de gletsjers in de Alpen juist zich aan het uitbreiden waren – in de koude periode die Piora Oscillatie wordt genoemd - is de redenering van Leemann zeer aanvechtbaar.

Een alternatieve interpretatie is, dat deze grove laag zonder varven is afgezet in een fase waarin heel de Alpen permanent, ’s winters en ’s zomers, onder een ijskap lag. Ook dan zullen er geen varven ontstaan. De grove laag kan dan worden gezien als een grondmorene die door smeltwater onder de ijskap is gevormd. Omdat 3300 jaar geleden de varven weer terugkeren in het Silvaplana meer, kan worden geconcludeerd, dat deze toestand van permanente ijsbedekking van de Alpen rond 1300 voor Christus was beëindigd.

Wat voor de Alpen geldt blijkt ook op te gaan voor de Harz. Ook dit gebergte is tijdens de ijstijd met gletsjers  bedekt geweest. In de Harz worden er na de ijstijd geen varven afgezet maar ontwikkelt er zich veen: ‘die Moorbildung setzte hier früh nach der letzten Eiszeit ein’, zo lezen we in een boek over de geologie van de Harz. (G.Meyenburg, 2017, Nördlicher Mittelharz, p.119). De gemiddelde dikte van het veenpakket in de Harz is ‘über 2 m mächtig’. Verder vernemen we dat ‘die Moore jährlich etwa um 1mm in die Höhe wachsen’ (p.121). Dus mogen we concluderen dat de ijsbedekking van de Harz ook zeer recent moet zijn verdwenen, net als dat voor de Alpen geldt.

Even een tussenbalans: de Milanković theorie is in vele opzichten ontoereikend om de ijstijd te verklaren. Wel is er een flinke hoeveelheid indirect bewijs dat allemaal in dezelfde richting wijst, namelijk dat de ijstijd een klimaatcatastrofe is geweest die is geïnitieerd door kosmisch inslaggeweld dat zich in het derde millennium voor Christus heeft voorgedaan.

Dit indirecte bewijs bestaat uit:

  1. Het enorme Australische tektietenveld dat mogelijk 5000 jaar oud is.
  2. Een combinatie van een koude (Piora Oscillatie) en zeer regenrijke (Naptian) periode in het derde millennium voor Christus.
  3. De mogelijkheid dat de Alpen en de Harz tot 1300 voor Christus permanent met ijs bedekt zijn geweest.
  4. De plotselinge verdwijning van de vroege bronstijdculturen rond 2300 voor Christus.
  5. Mythen die verhalen over de abrupte beëindiging van een Gouden Tijdperk door een verschrikkelijke koude periode
  6. Kaarten waarop de polen ijsvrij staan afgebeeld.

De hypothese, dat de ijstijd zich in de dagen van de aartsvaders in het derde millennium voor Christus heeft afgespeeld, heb ik getest door gebruik te maken van een klimaatgrafiek voor het interval 2100-1500 voor Christus; deze grafiek is ontleend aan de jaarringen van de oudste bomen ter wereld, de Bristle Cone Pine uit de White Mountains in Californië. Vergelijking van deze grafiek met een zes tal klimaatgrafieken van de ijstijd levert een verassende patroonovereenkomst op (zie de onderstaande figuren; de onderste grafiek is van de Bristle Cone Pine). Deze match bevestigt het vermoeden dat de ijstijd zich inderdaad in de dagen van de aartsvaders, tussen 2350 en 1500 voor Christus, heeft afgespeeld.

(Deze afbeelding kan i.v.m. copyright hier nog niet worden weergegeven)

Om uit te sluiten dat de patroonovereenkomst tussen de klimaatgrafieken van de ijstijd en die van de Bristle Cone Pine voor het interval 2100-1500 op toeval berust heb ik getest, of er ook sprake is van een zelfde soort correlatie voor de periode die volgde op de ijstijd. Dit ben ik nagegaan met behulp van de Summit ijsboorkern van Groenland, omdat daar het postglaciale ijs zeer goed ontwikkeld is.

De volgende figuur geeft een beeld van de postglaciale klimaatontwikkelingen zoals die tussen 1800 en 1500 meter diepte in deze ijsboorkern zijn gemeten. Daaronder brengt de grafiek van de jaarringen van de ‘Britsle Cone Pine’ de klimaatontwikkelingen voor het interval 1600-800 voor Christus in beeld. De overeenkomst tussen beide grafieken is frappant, wat een extra ondersteuning is van de door mijn voorgestelde ijstijdhypothese.

(Deze afbeelding kan i.v.m. copyright hier nog niet worden weergegeven)

Ter afsluiting nog iets over de C14 dateringen en de ijstijd. Regelmatig lees je over typische ijstijd fossielen, zoals mammoetbotten of Neanderthalers, die met de C14 methode op 20.000 of 40.000 jaar oud worden gedateerd. Zetten deze ouderdommen geen dikke streep door mijn ijstijdtheorie?

De vraag die hier speelt is of de C14 modelleeftijden hoger dan 4100 jaar geleden een juist beeld geven van de ouderdom van de gedateerde objecten. Tot 4100 BP (Before Present) matchen de C14 dateringen goed met de jaarringengrafiek van de eerder genoemde Bristle Cone Pine. Hogere ouderdommen zijn problematisch. Dat komt omdat de C14/C12 verhouding in de atmosfeer toen waarschijnlijk veel anders was dan tegenwoordig. En dat heeft dan alles te maken met de inslagebeurtenis van 2350 voor Christus. Welke invloed heeft die gehad op de C14/C12 ratio?

We zagen al dat door de impact enorme hoeveelheden water in de stratosfeer terecht zijn gekomen. Daardoor is veel kosmische straling, die C14 aanmaakt, geabsorbeerd. Ook treedt door de geweldige hitte die een kosmische bolide afgeeft aan de atmosfeer ionisatie op van luchtdeeltjes. Daarbij ontstaat veel ozon dat ook kosmische straling absorbeert.

Dan is er nog het effect van een kosmische inslag, via de stikstofconcentratie in de atmosfeer, op de aanmaak van C14. Kosmische straling zet stikstof om in C14. Door de plotselinge verhitting van stikstof tijdens een kosmische inslag wordt de stikstof omgezet in enorme hoeveelheden stikstofoxide. Die lossen snel na de inslag op in waterdampwolken, waardoor zure regen ontstaat, dat binnen enkele dagen na de inslag van de ruimtebolide op aarde zal zijn uitgeregend. Door dit proces zal de stikstofconcentratie in de atmosfeer dalen, wat ook een daling van de C14 productie betekent   

Bovendien is er nog het effect van het wereldwijde vulkanisme dat het gevolg is van de impactramp. Vulkanische gassen bestaan voor een groot deel uit CO2. Bovendien kan er als gevolg van de enorme aardbevingen, die een kosmische inslagevent genereert, veel methaan uit de oceaanbodem zijn vrijgekomen.  Door beide processen komen er na de inslagramp  enorme hoeveelheden vers C12 in de atmosfeer terecht.

Kortom: als gevolg van de impact ramp daalt op drie manieren de aanmaak van C14 in de atmosfeer, terwijl tegelijkertijd op twee manieren de hoeveelheid C12 toeneemt. Dit heeft direct na de inslagramp geleid tot een veel lagere C14/C12 ratio. In de loop van enkele honderden jaren is de C14/C12 ratio weer genormaliseerd, zodat ze zo rond 2100 voor Christus de huidige verhouding bereikt.

De implicatie van deze fundamentele verstoring van de C14/C12 ratio door de kosmische inslag rond 2350 voor Christus is, dat de C14 dateringen vlak na de inslag extreme waarden aannemen. Dit zien we terug in veen en sedimentafzettingen uit de ijstijd. Naar onderen toe nemen de C14 modelleeftijden explosief toe. Dit is niet het gevolg van kompactie of langzamere afzetting in het verleden, maar primair een resultaat van de aanwezigheid van veel minder C14 en meer C12 in de atmosfeer (zie onderstaande figuren).

(Deze afbeelding kan i.v.m. copyright hier nog niet worden weergegeven)

Hetzelfde geldt voor het leeftijdsprofiel van een laag mest van de reuzengrondluiaard in de Rampart grot binnen de Grand Canyon. In de bovenste 80 cm neemt de C14 leeftijd gelijkmatig toe, in de daaropvolgende 10 cm enorm snel (zie onderstaande figuur). Ook dit wijst erop dat de verhouding C14/C12 in het begin zeer laag was en daarna is gaan stijgen.

(Deze afbeelding kan i.v.m. copyright hier nog niet worden weergegeven)

Een ander gegeven dat op dit aanpassingsproces wijst zijn de niet-congruente C14 dateringen. Zo bleek het haar van de Chekurovka mammoet 26.000 jaar te zijn, terwijl het veen om de mammoet heen 5610 jaar oud was. En het kadaver van de Beresovka mammoet werd C14 op 39.000 gedateerd, terwijl zijn maaginhoud op 6000/7000 jaar uit kwam (D.S. Allan, J.B. Delair, 1997, Cataclysm! Compelling Evidence of a Cosmic Catastrophe in 9500BC, p.172). Ook dit wijst erop dat de C14/C12 ratio in de atmosfeer in korte tijd snel is veranderd.

Epiloog

Het welles-nietes debat tussen Willem Jan Blom en mij is een direct gevolg van de aard van de geologie. Dit is een historische wetenschap waarbij men probeert te reconstrueren hoe de aarde zich door een opeenvolging van unieke, niet herhaalbare gebeurtenissen heeft ontwikkeld. Dit type wetenschap kent veel onzekerheden. Immers we proberen van gebeurtenissen uit het verleden, waarvan we nu nog sporen aantreffen in de vorm van aardlagen of ijskappen, hun oorzaken te achterhalen (abductie). Maar we kunnen het verleden niet direct meer waarnemen. We waren er niet bij. In dit opzicht verschilt de geologie fundamenteel van een wetenschap  als natuurkunde waarin men de wetmatigheden, die de hier-en-nu werkelijkheid reguleren, probeert te achterhalen door testen en experimenten.

Bij de geohistorische wetenschap gaat het doorgaans op complexe feiten die dikwijls voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Uit dit artikel zijn daar verschillende voorbeelden van te geven: Australische tektieten, C14 modelleeftijden, kaarten met ijsvrije polen, sedimenten van het Silvaplana meer. Hoe deze feiten worden geïnterpreteerd hangt vooral af van de  voorkeuren van de onderzoeker, zijn aannames en zijn wereldbeeld of het paradigma van waaruit hij onderzoek doet. Kortom: geologie is geen machine die waarheid produceert, maar een door en door subjectieve, menselijke, door vooronderstellingen gestuurde activiteit waaraan grote onzekerheden kleven.

In de mainstream wetenschap domineert nog steeds het denken vanuit het uniformiteitsprincipe dat een ultra lange chronologie van de aardgeschiedenis impliceert. Aardlagen en ijskappen zijn langzaam geaccumuleerd, of in kortdurende episoden met lange intervallen ertussen waarin er weinig tot niets is gebeurd. Hetzelfde geldt voor geologische verschijnselen als platentektoniek, vulkanisme, erosie, gebergtevorming, omkeringen van het aardmagnetisch veld.

Vanuit een bijbels wereldbeeld worden dezelfde feiten gezien als uitingen van catastrofale gebeurtenissen die zich binnen de korte chronologie van het Oude Testament hebben afgespeeld. Kosmisch inslaggeweld fungeert hierbij veelal als trigger. Toepassing en doordenking van dit concept op de genoemde geologische feiten maakt het mogelijk hun ontstaansgeschiedenis binnen de Bijbelse geschiedenis te verklaren. Het relaas in dit artikel over de ijstijd als het product van een impactcatastrofe in de dagen van de aartsvaders laat zien hoe vruchtbaar deze benadering is.

Wel blijft er grote spanning tussen de benaderingswijze van de creationistische geowetenschap en die van de mainstream aardwetenschappen bestaan. Dit pluralisme van verschillende onderzoeksprogramma’s en interpretatiekaders van waaruit de feiten worden geduid is onontkoombaar. In deze geseculariseerde tijden is het geloof in de historiciteit van de Bijbel taboe binnen de moderne wetenschap. Als christen staan we voor de keuze of we ons aansluiten bij en volledig vereenzelvigen met deze niet-bijbels geïnspireerde  geowetenschap, of dat we binnen de creationistische geowetenschap met kennis van de geologische feiten en met ons verstand en creativiteit, tot nieuwe inzichten en interpretaties proberen te komen die passen bij een Bijbels wereldbeeld.

Drs. J.E. (Hans) Hoogerduijn is fysisch geograaf en cultureel antropoloog.